Landbouw

For English

MALAWI Agriculture
PDF – 8,4 MB 32 downloads

 

Landbouw, een inleiding

Verbouw van mais

Grondbewerking

Harde laag

Bemesting

Compost

Zaaien

Onkruidbestrijding

Plagen

Ziekten

Oogsten

Bewaren van mais

Landbouw, een inleiding

Door de afnemende vruchtbaarheid van het akkerland, overal in Malawi, was het op den duur niet meer mogelijk om aan de nationale vraag naar mais als eerste levensbehoefte te voldoen. Rondom de eeuwwisseling en vanaf 2011 kreeg Malawi structureel met voedseltekorten te maken en werd honger geleden. Volgens het Wereldvoedselprogramma, een hulporganisatie van de Verenigde Naties, hadden in 2012 meer dan 1,6 miljoen mensen, ofwel 11% van de bevolking, te maken met levensbedreigende voedseltekorten. De regeringsmaatregelen voorzagen intussen vanaf 2004 in de uitgave van subsidievouchers voor "kleine boeren”. Daarmee kon een kleine hoeveelheid kunstmest en zaad worden gekocht, tegen ongeveer een derde van de normale prijs zodat ze de bodemvoedingsstoffen konden aanvullen, voordeel konden halen uit verbeterde zaadvariëteiten en redelijk konden oogsten. De gevolgen waren direct waarneembaar. Er ontstond een relatief graanoverschot en een geboorte-explosie. In 2009 besteedde de regering 16% van haar budget aan landbouwsubsidies. 

 

Over de intensieve kleinschalige landbouw in Malawi is over allerlei thema’s veel (buitenlands) wetenschappelijk onderzoek gedaan en gepubliceerd. Echter, omdat door de jaren heen de omstandigheden ongewijzigd lijken, bestaat het vermoeden dat de aanbevelingen daarin weinig aandacht heeft gekregen. Dat doet allereerst vermoeden dat de publicaties enkel als studieobject waren bedoeld. Kennelijk waren de bevindingen van de wetenschappers onvoldoende overtuigend voor de politici en is voorlichting en verder onderzoek uitgebleven. Mogelijk is de situatie ongewijzigd gebleven omdat ook de behoudende samenleving niet in staat is geweest om individueel of collectief initiatieven naar zich toe te trekken. Of het gebrek aan middelen en mogelijkheden. Wanneer de kleine boerenbedrijven immers worden benaderd vanuit de armoedegrens zijn die zelfs met zeer bescheiden doelen niet "levensvatbaar". Door gebrek aan contant geld blijft onrendabele arbeid daarom noodzakelijk. Opgeven is geen optie.

 

De gewasproductie in Malawi wordt gekenmerkt door de teelt van maïs met beperkte toevoeging van nutriënten. Het verbouwen daarvan stamt uit de koloniale tijd om plantagearbeid effectiever te maken. Na de dekolonisatie is de maisconsumptie gebleven en zijn de oude gewassen zoals gierst en sorghum als hoofdvoedselgewas  verdwenen.

Mais is het basisvoedsel in Malawi. Van maïsmeel en water wordt ‘nsima’ gekookt boven een houtvuurtje tussen drie grote stenen. Tijdens het koken moet flink geroerd worden om het klonteren te voorkomen. De kleverige pap heeft de structuur van een dikke pudding.

Per jaar is 110 kg mais per persoon nodig.

Gemeten naar de huidige omstandigheden hebben de kleine boerenbedrijven in Malawi te maken met een aantal beperkingen, t.w.:

-de grootte van het akkerland is gemiddeld niet meer dan een ½ ha

-slechte conditie van de grond door tekorten aan meststoffen en humus.

-een harde ondoordringbare bovenlaag

-niet gedraineerde akkers met periodiek wateroverlast en watertekorten

-geen wissel en tussenteelt mogelijk

-monocultuur met mais

-gebrekkige landbouwkennis

-ondeugdelijke input van kunstmest en zaaigoed en de slechte toegang bij aanschaffing

-enkel handgereedschappen voor landbewerking.

-geen mechanische bewerkingen van de akkers

-minimale opbrengsten

-geen opslagmogelijkheden

-transportproblemen en ondeugdelijke verwerking van de opbrengsten

-gebrekkige marktwerking

-geringe investeringen door gebrek aan middelen

-jaarlijkse natuurrampen

 

De verbouw van mais

 

Grond

Maïs gedijt het beste in diepe vruchtbare grond, goed gedraineerd, met een waterhoudend vermogen en rijk aan organisch materiaal. De ideale pH-waarde is van 5,6 tot 7,5. (licht zuur tot neutraal tot licht alkalisch). Bij voorkeur leem- of zandleembodems.

Om bodemverlies en wegspoeling te verminderen is het nodig om bij een helling minder dan 2%, haaks op de helling te verbouwen. Wanneer er sprake is van een steilere helling is het nodig fysieke barrières te maken met keien, dammen e.d. of door het aanleggen van terrassen. 

 

Temperatuur

De optimale luchttemperatuur voor de groei van maïs ligt tussen 18 en 32 °C. De groei wordt sterk verminderd bij luchttemperaturen boven 35°C en onder 10°C.

De kieming zal sneller en minder variabel zijn bij bodemtemperaturen van 16 tot 18°C. 

 

Water

Maïs heeft gewoonlijk ongeveer 500-1500 mm regen per groeiseizoen nodig, hoewel sommige maïssoorten het ook kunnen doen met slechts 250 mm regen. Het gewas heeft meer vocht nodig tijdens de bloei en graanvulling. De werkelijke behoefte aan neerslag is afhankelijk van het type maïs. In drogere gebieden zijn extra bewerkingen nodig zoals het aanaarden, scheuren, op grotere afstand zaaien en het kiezen van specifieke rassen. Het is nodig dat een maïssoort wordt gekozen dat past bij het gebied, het teeltsysteem, de beoogde opbrengst en of de boer het zaad van het geoogste gewas wil gebruiken voor het volgende seizoen. 

 

Deskundigheid

Om tot maximale opbrengsten te komen, is als vanzelf kennis nodig voor de verbouw van mais. Voor zover aanwezig, moet het gebruik van mechanische hulpmiddelen en bestrijdingsmiddelen afhankelijk zijn van deskundig lokaal advies om ongelukken en defecten te voorkomen. Dat geldt met name voor het veilig en effectief gebruik van mechanische landbouwwerktuigen en onkruidverdelgingsmiddelen.

 

Voorlichting

Ondanks dat ‘landbouw’ als onderwijsvak deel uitmaakt van het primair onderwijs en ook in het secundair onderwijs wordt onderwezen, blijkt de theoretische landbouwkennis van de boeren minimaal. Ook de praktische kennisoverdracht van vader op zoon. Daardoor kan niet worden gereflecteerd naar de oorzaak wanneer de oogst mislukt, zodat het jaar daarop op dezelfde manier en zonder aanpassingen opnieuw wordt ingezaaid. Uit onderzoek blijkt dat 14% van de huishoudens advies heeft gekregen over composteren, 12% over nieuwe zaadrassen, 9% over kunstmestgebruik, 8 % over irrigatie en over ongediertebestrijding hetgeen als basiskennis te weinig is.

 

Farmer Field Schools

Farmer Field Schools (FFS) zijn wereldwijd bedoeld om boeren ontdekkend te laten leren. Dat kan door specifieke onderwerpen collectief te bespreken, ervaringen en kennis uit te wisselen en demonstatiestroken in gebruik te nemen. Het is een plaats waar in samenspraak ook specifieke kennis wordt gedeeld dat aansluit bij de behoeften en de problemen waar boeren mee te maken hebben

 

In Malawi, maar ook elders in Afrika zijn de meest besproken onderwerpen de degraderende akkers, de bodemherstelmethoden en de gewasteelt. Ook de grillige regenval, het gebrek aan hulpbronnen en opbrengstverlies. Over het verhogen van de opbrengst staan thema’s over het kunstmestgebruik, onkruid, plagen, ziekten en het gebrek of juist het te veel aan water centraal. Die thema’s hebben als doel om de situatie van de kleine boerenbedrijven te verbeteren en inkomstenbronnen te diversifiëren. Als groep wordt ook gezocht naar een vorm van samenwerking met betrekking tot de marktwerking. Plagen en het gebruik van pesticiden worden beschouwd als minder van belang.

De Lead-Farmer-aanpak is daarvan een afgeleide en is in Malawi gangbaar. De plaatselijke boerenleider heeft in dat geval een korte opleiding gevolgd over één of twee specifieke technologieën om die vervolgens als informatie te verspreiden onder groepen boeren in hun regio. Het gebruik van proefvelden, gewasonderzoek en het ondersteunen van de FFS als informatiebron is beperkt. Technieken en technologieën zijn niet gangbaar. De initiatieven moeten daarom vooral uit de boerengemeenschap zelf komen.

 

De FFS als volwasseneneducatie heeft aangetoond dat in het proces van voortgezet leren de kwaliteit van leven en voedselzekerheid van de plattelandsgemeenschappen plaatselijk is verbeterd en een vorm van duurzame landbouw werd bevorderd. Het blijkt dat het deelnemen aan de FFS ook bijdraagt aan een opmerkelijk hogere gewasopbrengst. Door contacten te leggen met betrokken overheidsinstanties en ngo’s ontstonden ook samenwerkingsverbanden waar iedereen profijt van had, omdat die zich aanpasten en de FFS zich waagden aan disciplines buiten de landbouw.

 

De Farmer Field School kan deel uitmaken van de Landbouwcoöperatie waar is opgenomen dat de taak bestaat uit het verlenen van hulp en voorlichting. Voorbeelden zijn het gezamenlijk aanschaffen van landbouwgereedschap en het toepassen van verbeterde technieken.

 

Grondbewerking 

 

Bodems variëren in fysische en biologische eigenschappen van locatie tot locatie en moeten gedefinieerd worden op basis van de heersende kenmerken in relatie tot het gewenst gewastype, de beheerspraktijk, klimatologische omstandigheden en de locatie. Ook op basis van het nutriëntengehalte.

 

Voorafgaande aan de keuze over de plaats van de akker en de beschikbaarheid daarvan is het nodig om:

-het gebied te selecteren op vruchtbaarheid, mogelijkheden, bereikbaarheid en bewaking

-de grondkwaliteit te testen op de zuurgraad (pH), op structuur en gehalte aan voedingsstoffen zoals stikstof, fosfor en kalium

-een plan te maken over de wijze van de grondbewerking. 

Het doel van landbewerking is om een zaaibed te produceren dat onkruidvrij is met beluchte grond waarin water kan insijpelen zodat maïszaden nauw contact met de grond kunnen hebben en waaruit de zaailing zich gemakkelijk kan ontwikkelen. 

 

Voor het bewerken van de akkers gebruiken de boeren handgereedschappen. Mechanische middelen, collectief aangeschaft of als loonwerk, zijn niet in gebruik.

 

Landbouwgereedschap per huishouden Schoffel Houweel Bijl Kapmes Sikkel Pomp Gieter Kar
In % 86,9 15,4 41,4 49,2 34,7 0,5 15,6 1,5
Grondbewerking naar methode Aanaarden Terpen Kuil Geen Rippen Minimaal
In % 90,1 4,1 2,2 1,6 0,5 0,9

Landarbeid met de handschoffel. Hier een gedeeltelijke toepassing van de conserverende grondbewerking

 

Conventionele grondbewerkingsmethode

De traditionele grondbewerking voorafgaande aan het zaaien van landbouwgewassen in grote delen van Afrika omvat het zaai-gereed maken en het bewerken van de grond in een vroeg stadium.

 

Verreweg de meeste boeren in Malawi gebruiken voor de grondbewerking een handschoffel om ruggen te maken als zaaibed. De bedoeling daarvan is om het wegspoelen van maiszaad en zaailingen zo mogelijk te voorkomen bij tropische regenbuien. Door die methode wordt derhalve de eerder uitgespoelde oppervlaktelaag verplaatst en dat is door het ontbreken van nutriënten een slecht begin om mais te verbouwen. Het met de hand maken van een conventioneel maïszaaibed met handschoffels vereist ongeveer 8-10 dagen handarbeid per hectare. 

 

Conserverende grondbewerkingsmethode

Een aantal deskundigen is van mening dat het conventioneel grondbewerkingssysteem schade veroorzaakt, zoals:

-Het blootstellen van de grondlaag aan regen, wind en zon, wat leidt tot bodemerosie

-Het vernietigen van bodemorganismen

-Bodemverdichting, vooral bij gebruik van tractoren of trekdieren

-Het ontstaan van een harde (boven)laag door ploegen of schrapen, waardoor:

=de afstroming van het oppervlaktewater toeneemt, met bodemerosie tot gevolg

=een verhoogde waterverdamping

=het belemmeren van de regenwaterinfiltratie in de bodem

=een verminderde grondwateraanvulling

=het bemoeilijken van de wortelpenetratie

 

Vanwege die veronderstelde negatieve gevolgen ontstond plaatselijk de zogenaamde conservatielandbouw. Dat systeem is gebaseerd op drie belangrijke principes:

-de bodem zo min mogelijk verstoren (minimale grondbewerking)

-de bodem zoveel mogelijk bedekt houden met gewasresten, mulch en dekgewassen.

-het gebruik van wisselteelt, tussengewassen en vruchtwisselingen. 

 

Mechanische hulpmiddelen

Bij de mechanische grondbewerkingsmethode wordt de grond met een door een tractor of door trekossen getrokken gereedschap fysiek losgemaakt. Meestal wordt de grond omgedraaid met een ploeg waarbij de oppervlaktelaag naar een diepere grondlaag wordt omgezet. Tegelijkertijd worden gewasresten en onkruid begraven. In sommige gevallen wordt in een later stadium de bovenlaag als zaaibed verkruimeld met een eg of cultivator hoewel een te fijn zaaibed, vooral op zandgronden, het perceel kwetsbaar maakt voor winderosie en zal de biotoop worden aangetast. Een grovere helling verkleint het risico dat wind de bodem erodeert, maar laat toch water toe om te infiltreren. De grootte van de kluiten moet ongeveer 6 cm of minder zijn en de grond moet worden gecultiveerd tot een diepte van 15-30 cm. 

In andere gevallen wordt de grond gescheurd tot 10 cm diep. In tegenstelling tot ploegen, wordt de grond niet omgedraaid. Het ‘rippen’ gebeurt vooral in droge grond met speciaal gereedschap, een ripper, getrokken door ossen, ezels of een tractor en is bedoeld om regenwater te laten doorsijpelen tot in de onderlaag en daar op te slaan. Het werktuig ziet eruit als een beitel en wordt in plaats van de ploegschaar aan het ploegframe bevestigt. 

 

Grondbewerking naar gebruik van middelen Handschoffel Dierlijke kracht Mechanische kracht
In % 98,8 1,2 0,0

De tekst hierna is gebaseerd op het werken met een handschoffel.

Harde laag

 

Sedert de jaren dertig van de vorige eeuw werden de kleine boeren in Malawi aangemoedigd om gewassen op ruggen te planten in plaats van, zoals voorheen, op het veld of op terpen. Deze praktijk is daarna zonder bemesting op grote schaal toegepast. Door telkens hetzelfde zand te gebruiken raakte de teelgrond door gebrek aan meststoffen schraal; mede ook omdat achtergebleven plantenresten niet werden gecomposteerd. In de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw werd als gevolg daarvan steeds meer een vermindering van de maisopbrengsten geconstateerd. Het bewijs daarvoor waren de oogsten op zowel onbemeste als met kunstmest bewerkte akkers. Terwijl voorheen 1.700 kg/ha kon worden geoogst op onbemeste percelen met lokale maïs, was de productie inmiddels gedaald tot gemiddeld minder dan 1.000 kg/ha. In de jaren ’80 waren de opbrengsten in de dichtbevolkte zuidelijke regio niet meer dan 600- 800 kg/ha. Om een steeds vaker voorkomende hongersnood tegen te gaan, werd daarvoor onder anderen kunstmest ingevoerd. Op de plantruggen werd een kuiltje gemaakt, kunstmest gestrooid en bedekt met een laagje zand. Daarop werd maiszaad gepoot en afgedekt. Door het aanvullend gebruik van kunstmest steeg de maisopbrengst daardoor tot zelfs 2.000 kg/ha.

Zoals het ernaar uitziet, bestaan door de landdruk geen bodemherstellende braakleggingspraktijken. Gewasresten worden in algemene zin nog steeds niet gecomposteerd zodat er ook geen opname van organisch materiaal in de bodem komt om de structuur te verbeteren. Het gevolg is dat de kleinschalige landbouw in veel Afrikaanse landen ondertussen totaal afhankelijk is geworden van kunstmest. 

Vanuit de gedachte dat de drastische minderopbrengsten het gevolg was van bodemerosie, was in Zimbabwe intussen Farming God’s Way maatgevend geworden als nieuwe landbouwmethode. De gedachte was om de grond met plantenresten te bedekken om erosie tegen te gaan en tegelijkertijd om regenwater beter vast te houden tegen uitspoeling. Daarin was ook het composteren en wisselteelt inbegrepen. Hoewel zeker niet algemeen, kreeg deze vorm van conserverende landbouw ook in Malawi aanhang. In die nieuwe landbouwmethode was het verbouwen op ruggen niet langer gangbaar. De grond werd onberoerd gelaten. Voor het zaaien van mais werden plantgaten in de akkergrond gekapt en met compost gevuld. Daarop werd gezaaid en het zaad afgedekt. Tenslotte werd het bouwland bedekt met plantenresten die van elders werden aangevoerd. Met deze methode werden gelijke resultaten behaald als bij het gebruik van kunstmest, maar door gebrek aan inzicht, kennis en het extra werk vanwege het aanvoeren van plantenresten is die methode nergens in Malawi consequent toegepast. Het vergelijk kan reden zijn om te accepteren dat de grenzen voor het behalen van meeropbrengsten zijn genaderd. De oorzaak moet gezocht worden in de ongunstige klimatologische omstandigheden in vooral het zuidelijk deel van Malawi. Ook vanwege de grote bevolkingsdichtheid in relatie tot het beschikbaar akkerland wat braakligging niet toelaat. De lage landbouwopbrengsten kunnen zeker niet opgelost worden door het gebruik van gemanipuleerd maiszaad en meer kunstmest. 

De bestaande verminderde bodemproductiviteit heeft meerdere oorzaken, waarvan het handhaven van de traditionele landbouwmethode als hoofdoorzaak wordt gezien door op ruggen te zaaien zonder toevoeging van mest of compost. Onder het zanderig oppervlak bestaat een harde korst. Aangenomen wordt dat die is ontstaan door het herhaald schrapen van het schoffelblad over het grondoppervlak waardoor de macroporiën na regenval dichtslibben. Daardoor kan het regenwater moeilijk doorsijpelen tot in de onderlaag en spoelt het meeste regenwater na een heftige tropisch stortbui onmiddellijk weg wat door uitspoeling nog meer tot verschraling en bodemerosie leidt. Het water dat op het land blijft liggen, verdampt.

Het bewijs van de verminderde opbrengsten, zoals hierboven beschreven, kan zijn dat door het zaaien van mais op plantruggen de wortels van de maisplant zich moeilijk kunnen ontwikkelen vanwege de onderliggende harde laag. Het netwerk van wortels blijft daardoor klein en is niet in staat om voldoende water op te nemen wat nodig is voor de plantengroei. Gelijktijdig blijven de in water opgenomen voedingsstoffen voor de plant onbereikbaar. Een tweede bewijs kan zijn dat penwortels van andere planten dan mais, bij het bereiken van de harde laag onder het oppervlak horizontaal afbuigen in plaats dat die verticaal naar beneden doorgroeien. Het zware wortelgestel van mais groeit in poreuze onderlagen soms tot 1 meter diep met als gevolg dat het wortelgestel dan gewoonlijk 10-15 dagen baat heeft van een regenbui doordat de wortels vochtig blijven. De groeiremmende uitdroging als gevolg van de gebruikte traditionele landbouwmethode veroorzaakt daardoor een snellere uitputting van de plant bij gebrek aan water en meststoffen. Het is dus ook nodig om te kijken naar wat zich onder het grondoppervlak afspeelt, met name de bodemporositeit. 

 

Wortelgestel van een maisplant in een harde zanderige laag

Wortelgestel van een maisplant bij een doorlatende bodem

Zie de omvang van het wortelgestel, de stevigheid en kleur van de stengel

 

Om de gewasopbrengst te verhogen is het in ieder geval nodig om de wortelomstandigheden te verbeteren door de harde laag te breken zodat de wortels kunnen zoeken naar zowel vocht als voedingsstoffen. Indien dat gebeurt, komen door de kluitvorming macroporiën in de bodem weer met elkaar in verbinding en wordt de bodemdichtheid poreuzer. Dat zal de infiltratie van regenwater verbeteren, is de verwachting en bodemerosie verminderen. Het breken van de harde laag of lagen kan mechanisch met dien verstande dat frezen moet worden afgeraden. 

Technisch gezien is de meest effectieve manier om een diepwoeler te gebruiken gedurende de droge periode. Het effect zal zeker 3 seizoenen merkbaar zijn, afhankelijk van de grondsoort en de wijze van grondbewerking. Behalve meer volume voor het wortelgestel zullen niet eerder bereikbare meststoffen omhoog worden getrokken en benut. Op termijn wordt landbouwkalk aangeraden om gebonden meststoffen voor de plant weer in water opneembaar te maken. Gezien het geringe oppervlak van de akkers is een commerciële bewerking door een diepwoeler of door ploegen binnen de kleinschalige agrarische sector in Malawi echter niet reëel. In plaats daarvan kan een éénassige landbouwtractor met een cultivator met verlengde vaste tanden collectief worden benut of als loonwerk. Het handmatig diep omzetten van de harde laag tot tweemaal de normale teeltdiepte is slechts mogelijk indien de arbeid over meerdere jaren wordt verspreid. Gelijktijdig kunnen in dat geval plantenresten of compost als meststof worden toegevoegd dat van nut is voor het vasthouden van vocht.

 

Door het ontbreken van een waterafvoer systeem heeft het bestaan van de harde laag na een heftige regenbui ook een vernietigend effect. In een aanzwellende stroom zal het overtollig regenwater over die harde laag een weg zoeken en verwoest in haar loop de bestaande infrastructuur en persoonlijke bezittingen. Gelijktijdig gaat maiszaad en kunstmest op de velden verloren. In het geval dat maisplanten zich hebben vastgezet, komt het wortelgestel bloot te liggen en is dan niet langer geschikt om water op te nemen. Het bestaan van de harde laag veroorzaakt dus niet alleen groeischade aan gewassen, maar regelmatig ook materiele en emotionele schade.

 

Indien de harde laag wordt gebroken, zal overtollig regenwater langs de breuken in de ondergrond sijpelen en meerdere weken als waterreservoir dienen. In tegenstelling tot droogte, zal de maisplant hiervan geen schade ondervinden. Het voorkomen van regionale overstromingen heeft alleen zin als in overleg met een waterbouwkundige de harde laag op kritieke punten wordt gebroken en vijvers en beddingen worden aangelegd. 

 

Bemesting 

 

Voor het telen van land- en tuinbouwproducten is het nodig om het akkerland in de juiste hoeveelheden bij te mesten. De verwachting voor een goede oogst is steeds gebaseerd op kennis van de in de bodem aanwezige nutriënten en de kennis en ervaring van de boer. Zijn inspanningen om mest en gewasresten in de bodem toe te voegen is een investering in de toekomst en op rendement. 

Gewoonlijk is het niet mogelijk om daarover verwachtingen uit te spreken. Het doel van dit artikel is dus niet bedoeld om de productie te maximaliseren. Het is een vingerwijzing als algemene aanbeveling om zo mogelijk kosteneffectief te oogsten binnen het bereik van kleine boeren in Malawi. 

De aanbevelingen zijn bedoeld bij de teelt van verbeterde maisrassen. Het is minder waarschijnlijk dat dit artikel een kosteneffectieve aanbeveling is op traditionele rassen. De haalbare opbrengsten in maïs, wanneer goed zaad en kunstmest worden gebruikt en de agronomische praktijk wordt gevolgd, is:

-opbrengst volgens het traditioneel systeem: 0,5->1,2 ton per hectare

-opbrengst bij toepassing van betere landbouwpraktijken: 1,5-> ton per hectare 

 

Nutriëntentekorten

Planten hebben voedingsstoffen nodig om goed te kunnen groeien. Het absoluut minimum aan kunstmest is 200 kg/ha per jaar. Als er een tekort aan voedingsstoffen bestaat, kunnen symptomen worden waargenomen op plantendelen tijdens de groei en bij de oogst.

Het is niet altijd mogelijk om tekortkomingen aan te pakken tijdens het groeiseizoen waarin die symptomen worden waargenomen, maar er kunnen wel maatregelen worden genomen bij de voorbereiding van de volgende teelt om te voorkomen dat deze symptomen opnieuw optreden. 

Het gaat in dit kader te ver om in te gaan op de waarnemingen als gevolg van de nutriëntentekorten en om deze te beschrijven. De beste manier zijn waarnemingen in de praktijk over verkleuringen, afstervingen, misvormingen e.d. om het tekort aan bepaalde voedingsstoffen te kunnen verklaren. Een vaak voorkomend voorbeeld is het gebrek aan stikstof dat pas waarneembaar is op het einde van de groei, Dan gaat het om lichtgroene bladeren en gele verkleuringen in een 'V'- patroon over de gehele bladlengte. Dit begint bij de onderste bladeren. Als gevolg daarvan bestaat de oogst uit kleine, misvormde kolven die niet geheel gevuld zijn. Stikstoftekorten komen vaak voor. 

 

Oorzaken van verminderde opbrengst

Een aantal factoren is de oorzaak van de huidige lage maïsopbrengsten bij de kleinschalige landbouw in Malawi. 

De lage nutriëntenniveaus in de akkerlanden zijn gewoonlijk het gevolg van eerdere teeltpraktijken waardoor die ernstig zijn verarmd aan voedingsstoffen, met name stikstof, en afhankelijk van de locatie, fosfor, magnesium, zink en zwavel. Door gebrek aan financiële middelen op huishoudniveau en de hoge prijs van kunstmest was er jarenlang onvoldoende aanvulling van de voedingsstoffen die eerder waren onttrokken. 

Door gebrek aan landbouwgrond worden de voormalige bodemherstellende braakleggingspraktijken niet meer toegepast. Er was ook geen opname van organisch materiaal om de structuur van de bovenlaag en de nutriëntenstatus te verbeteren. Gewasresten worden nog steeds verbrand waardoor de teeltlaag schraal en erosiegevoelig achterblijft en vocht en meststoffen moeilijk kan vasthouden. Tijdens de groei van de maisplant is de kans dan groter dat vochtstress ontstaat bij onregelmatige regenval en een gunstige biotoop ontstaat voor het parasitaire onkruid Striga in maïsvelden dat veel schade veroorzaakt. 

Eén van de belangrijkste strategieën die worden bepleit om de afnemende bodemproductiviteit tegen te gaan, is

-het bevorderen van het gebruik van hybride maïs en kunstmest, waarbij opgemerkt moet worden dat dit kunstgrepen zijn met een tijdelijk effect.  

-het doorbreken van de overal bestaande harde laag om het wortelgestel van de maisplant onder de schoffellaag de mogelijkheid te geven om te zoeken naar vocht en meststoffen in diepere lagen.

-het inwerken van plantenresten. 

 

Slechte opkomst, onregelmatige groei en vroegtijdige sterfte door tekorten aan water en meststoffen 

 

Kunstmest 

Bij gebruik van kunstmest neemt de opbrengst aanvankelijk sterk toe naarmate er meer kunstmest wordt toegevoegd, maar naarmate de hoeveelheid kunstmest overvloedig toeneemt, neemt de verwachte extra opbrengst, af. Uiteindelijk zal het toevoegen van meer kunstmest geen verdere invloed hebben. Wel zullen zaailingen afsterven. Samengevat kan gesteld worden dat het rendement op de investering in kunstmest niet toeneemt indien meer kunstmest wordt gebruikt. Gewoonlijk is stikstof (N) de belangrijkste voedingsstof voor de groei, gevolgd door fosfor (P) voor de vruchtzetting en kalium (K) voor de bouw van de plant en de sapstroom. 

Kunstmest maakt de bodem zuurder en beïnvloed de groei van mais. Indien dat het geval is moet aangepaste kunstmest worden gebruikt. Dat kan ook door na de oogst in ruime mate landbouwkalk te strooien of in compost te verwerken. [Niet toepassen voorafgaand aan het bewerken van de akker omdat landbouwkalk de groei remt]. Landbouwkalk heeft als bijkomend effect dat gebonden voedingsstoffen op termijn weer opneembaar worden in water. 

De werkelijke opbrengst zal variëren, afhankelijk van variabelen, waaronder:

-kenmerken van de grondsoort. Deze kan bijvoorbeeld andere voedingsstoffen bevatten naast stikstof (N) en fosfor (P)

-of de bodem wel of niet reageert op kunstmest

-het weer, vooral regenval 

-gebruikte zaaivariëteiten

-toepassen wisselteelt

-plagen en ziekten

-managementpraktijken, zoals plantdichtheid en rangschikking, wieden, bemesting op tijd, opname van organisch materiaal in de bodem

-kwaliteit bij gebruik van minerale mest 

 

Grondsoort 

De samenstelling van grondsoorten zijn wisselend. Sommige reageren goed op toepassing van minerale mest. In enkele gevallen neemt de opbrengst zelfs toe naarmate er meer kunstmest wordt toegepast. Andere grondsoorten reageren niet: de opbrengst neemt niet of nauwelijks toe bij bemesting. Er zijn twee soorten niet-reagerende bodems:

-vruchtbare bodems die al veel voedingsstoffen bevatten

-bodems die de plantengroei beperken door chemische oorzaken (bv. zuurgraad van de bodem), fysische (bv. harde bodem), biologische beperkingen (bv. aanwezigheid van onkruid) of een combinatie van deze. 

Aangetaste bodems zijn vaak veroorzaakt door menselijke activiteiten, zoals bijvoorbeeld overbemesting en monocultuur. Omdat het aangetaste akkerland anderzijds gewoonlijk weinig voedingsstoffen bevat, hebben ze vaak een aantal jaren grote hoeveelheden organisch materiaal nodig voordat ze reageren op de toepassing van minerale meststoffen. Een diepe grondbewerking kan het proces sneller verbeteren.  

 

Basisbemesting 

Basisbemesting wordt toegepast wanneer het perceel wordt voorbereid vóór het zaaien. Het moet voedingsstoffen leveren die het gewas vroeg in de groeicyclus nodig heeft. Ongeveer één derde van de aanbevolen hoeveelheid stikstof (N) van de meststof kan bij het zaaien van mais worden gebruikt. De belangrijkste voedingsstof die maïs tijdens de groeicyclus nodig heeft, is stikstof (N). Voor de bloei en vruchtzetting is fosfor (P) de belangrijkste meststof. 

Bij de conventionele landbouwmethode wordt een afgemeten meststof als basisbemesting op de bodem van het plantgat geplaatst en bedekt met een beetje aarde. Het zaad wordt vervolgens op de juiste diepte bovenop geplant. Het zaad en de meststof mogen elkaar niet raken, omdat dit het zaad kan beschadigen. Het gat wordt dan bedekt met meer aarde. 

 

Topdressing 

Topdressing is het toedienen van kunstmest nadat het gewas is gaan groeien. Het levert voedingsstoffen dat gedurende de groeicyclus van het gewas nodig is en ook voedingsstoffen die, indien eerder toegepast, gemakkelijk uit de grond verloren zouden gaan voordat de plant ze zou kunnen opnemen. Ongeveer twee derde van de aanbevolen hoeveelheid N-meststof en het geheel aan P-meststof kan als topdressing worden toegepast. 

Voordat de topdressing wordt aangebracht, of tegelijkertijd, moet het perceel worden gewied, zodat de meststof de maïs ten goede komt en niet het onkruid. De topdressing-meststof moet worden toegepast als de maïs kniehoog is (45-60 cm hoog). In gebieden met veel regen (meer dan 1000 mm tijdens de groeiperiode) en ook waar de bodem zanderig is, is het nodig om dat na 3 weken en na 6 weken te herhalen. 

Topdressing moet worden gedaan als de grond vochtig is. Meststof kan in een cirkel rond elke plant of langs de rij worden aangebracht; in beide gevallen moet de meststof ongeveer 10 tot 15 cm van de voet van de planten worden aangebracht. De meststof mag de planten niet raken. Na het uitstrooien van de meststof moet de meststof bedekt worden met aarde, bijvoorbeeld door te schoffelen. 

Topdressing met kunstmest kan vervangen worden door met water verdunde drijfmest of in water opgeloste kippenpoep te gebruiken. Het is bij het toedienden niet nodig om ruime afstand te houden van de maisstengel. Het regelmatig toedienen zal de groei aanmerkelijk bevorderen. 

 

Organische mest

Zoals het ernaar uitziet veroorzaakt de bestaande landdruk geen bodemherstellende braakleggingspraktijken. Gewasresten worden vaak niet gecomposteerd zodat er ook geen opname van organisch materiaal in de bodem komt om de structuur te verbeteren.

Dierlijke en menselijke mest zijn een belangrijke hulpbron voor het verbeteren van de maïsopbrengst. Mest samen met minerale meststoffen geeft betere opbrengsten dan alleen mest of alleen kunstmest. Behalve N en P bevat mest ook andere voedingsstoffen zoals kalium, calcium en magnesium. Het gebruik van organische mest en houtas voorkomt een kaliumtekort. Mest draagt niet alleen bij aan een betere bodemvruchtbaarheid, maar verbetert ook de bodemstructuur, bodembeluchting, bodemwaterinfiltratiesnelheid en het bodemwaterhoudend vermogen. Bovendien is mest van belang om de zuurgraad van de bodem te verminderen. Deze eigenschappen maken mest tot een belangrijke hulpbron bij de opbrengst van mais met name op zandgronden. 

In tegenstelling tot minerale meststoffen waar voedingsstoffen direct beschikbaar zijn voor opname door planten, zijn niet alle voedingsstoffen in mest direct beschikbaar na toediening. Deze zullen in mest soms na jaren beschikbaar komen naarmate de mest uiteenvalt en zijn voedingsstoffen dan vrijgeeft. De beschikbaarheid van voedingstoffen zal zelfs toenemen terwijl de grond door humus ook losser zal worden.  

 

Compost 

 

De meeste akkers in Malawi hebben door uitputting een tekort aan voedingsstoffen die niet als vanzelf aangevuld worden. Volgens een schatting van de Wereldbank komt slechts een zeer gering deel van alle organische plantenvoedingsstoffen (mest, compost en plantenresten) terug op de akkers. Aanvullingen van organische resten van de akkers of van elders kunnen derhalve als compost in belangrijk mate bijdragen aan de bodemvruchtbaarheid, inbegrepen ook graanresten, residuen van peulvruchten, grassen, bladeren en mest. In plaats van 60 gr. DAP-kunstmest per plantgat, is ongeveer 200-400 g compost per plantgat nodig om aan de vraag naar stikstof te voldoen. 

Alles wat groeit, vergaat uiteindelijk. Composteren versnelt het proces van vermolming door een ideale omgeving te bieden voor bacteriën, schimmels en andere ontbindende organismen zoals wormen, zeugen en nematoden om hun werk te doen. De versnelde afbraak van de organische stoffen komt tot stand door koolstof, stikstof, zuurstof en water in de juiste conditie te combineren. Compost is rijk aan voedingsstoffen en is een goede vervanging voor kunstmest. Compost ziet er vaak uit als vruchtbare tuingrond en is tevens een natuurlijk bestrijdingsmiddel tegen ziekten en plagen in de bodem. 

 

De vier ingrediënten voor compost

-Bruin: (koolstof): Materiaal met een hoog koolstofgehalte is meestal dood en droog en bruin van kleur. Dat zijn bladeren, takken en twijgjes, maisresten, stro, hooi, karton, houtas, landouwkalk, enz. Warmte wordt gegenereerd wanneer de microben de koolstof afbreken.

-Groen: (stikstof): Stikstof is nodig om micro-organismen te ontwikkelen om de koolstof af te kunnen breken. Deze materialen zijn meestal vochtig en kleurrijk zoals groenten, grassen, fruitafval en dierlijke en menselijke mest. In principe kan alles in grote hoeveelheden gebruikt worden.  Liever geen zaadhoudend onkruid.

-Lucht: (zuurstof): De microben hebben zuurstof nodig, anders sterven ze en dat vertraagt het proces. Zuurstof kan worden toegevoegd door dikke takken als laag te gebruiken of de composthoop regelmatig om te zetten.

-Water: Compost heeft tussen de 40% en 60% water nodig om effectief af te breken. Als water bij het uitknijpen uit het compost druppelt, is het te nat. Te veel water zorgt ervoor dat het niet afbreekt, omdat het water de ruimtes vult waar lucht hoort te zijn.

 

Niet toevoegen:

-Zuivelproducten, vleesproducten en vetten moeten worden vermeden omdat ze een slechte geur afgeven en knaagdieren en vliegen aantrekken.

-Zieke planten of door insecten aangedane plantenresten om te voorkomen dat ziekten weer op het akkerland terecht komen.

-Onkruid of planten die met herbicide of pesticide zijn besproeid, kunnen de nuttige micro-organismen in compost schaden.

-Hardnekkig onkruid met rijpend zaad.

(Noot: composthoop opbouwen in lagen met beschikbaar materiaal

  

Voordelen van composteren

-Compost bevat veel voedingsstoffen die het akkerland verrijkt en de vruchtbaarheid verhoogt. Compost kan kunstmest vervangen. Voor een are maïsland is 1m3 compost nodig.

- Het bijmengen van een geringe hoeveelheid kunstmest in compost zal leiden tot een relatief hogere opbrengst

-Het helpt plantenziekten te verminderen en plagen te weren.

-Compost houdt vocht vast en helpt de waterafvoer te verminderen.

-Bespaart geld omdat geen kunstmest nodig is. 

 

Hoe te beginnen met composteren?

-Kies een vlak, schoon gebied om een composthoop te beginnen. Afbakenen door een kuil van 1,5x1,5 m en hoge stokken op de hoeken.

-Het maken van een composthoop is niet gebonden aan materialen. De samenstelling bepaalt de voedingswaarde. Begin met het neerleggen van enige dikkere takken om de zuurstoftoevoer te garanderen. De materialen worden daarop zonder een volgorde in lagen op elkaar gestapeld tot maximaal 20 cm dikHet is aan te bevelen om met enige emmers oude compost een starter op de bodem te maken waardoor het proces sneller op gang zal komen of door 1 deel groen en 3 delen bruin te mengen.

-Zorg dat er genoeg bruin (koolstof) en groen (stikstof) is om een stapel van 1 meter hoog te maken. Er bestaat aversie bij het toevoegen van menselijke en dierlijke mest. Het gebruik als tussenlaag is erg belangrijk vanwege de verscheidenheid, de meerwaarde aan meststoffen en de opbouw van de composthoop.

-Als het mengsel te vochtig is en stinkt, kun je meer koolstof toevoegen, de luchtstroom vergroten en het vochtgehalte verlagen. Te veel water doodt de micro-organismen en zorgt ervoor dat je compost gaat rotten in plaats van vergaan. Als het te droog is, kun je wat stikstof (groen) en water mengen

-De ideale temperatuur gedurende het composteren ligt tussen de 55 en 60 graden. Dat kan bij benadering gemeten worden door een stok in de composthoop. Bij te hoge temperatuur, boven de 70o C, worden de nuttige microben in de compost gedood.

-Door het regelmatig bijvoegen van drijfmest zal het meststofgehalte additioneel toenemen.

-Het regelmatig keren van de composthoop is belangrijk om opnieuw zuurstof toe te laten voor het composteringsproces. 

 

Wanneer is compost gereed voor gebruik 

Composteren duurt meestal 6 tot 16 weken van start tot eindproduct. 

Het proces van composteren is klaar voor gebruik:

-Wanneer de temperatuur van je compost daalt en deze geen warmte meer afgeeft

-De residuen krijgen een bruinachtige kleur en is kruimelig tussen je vingers

-De residuen voelen droog aan 

 

Toepassing en gebruik

Compost kan worden toegepast bij zowel de conventionele als de conserverende landbouwmethodes. Bij de conventionele, de traditionele landbouw, kan 200-400 gr compost in een plantgat op de plantrug worden geschept waarin het maiszaad wordt gedrukt en met 2-5 cm zand toegedekt. Bij de conserverende methode wordt een plantgat gekapt in het onberoerd akkerland, van compost voorzien en gezaaid op dezelfde wijze als beschreven bij de conventionele methode. Tegelijkertijd wordt dan onkruid weggekapt. 

 

Toepassen van bemesting Compost Kunstmest Geen meststoffen Pesticiden Irrigatie
In % 21,3 49,7 42,6 5,0 0,8

Zaaien 

 

Voorafgaande aan de zaaiperiode moet een teeltplan worden gemaakt en het zaaigoed gekozen. Afhankelijk van de gekozen grondbewerking zal vervolgens een zaaiplan worden gemaakt.

 

Maïssoorten 

Maïs wordt gewoonlijk gegroepeerd volgens de benadering die wordt gebruikt om rassen te ontwikkelen en ook volgens de lengte van de groei-/rijpheidsperiode.

Maïsrassen kunnen ook worden gegroepeerd op basis van de tijd die nodig is om na het planten volwassen te worden. Sommige variëteiten rijpen bijvoorbeeld in ongeveer 3 maanden, terwijl andere 6 maanden of langer nodig hebben. Een ras zal eerder rijpen op lagere hoogten waar het warmer is dan op hogere, koelere plaatsen. 

Verschillende maïsplanten met verschillende kenmerken kunnen onderling kruisen en zaad produceren. Deze maissoorten worden 'open bestoven' rassen (OPV's) genoemd. Traditionele maïssoorten vallen onder deze categorie. Deze maïssoorten hebben doorgaans een bescheiden opbrengst en na opeenvolgende generaties wordt de opbrengst slecht.

Soms wordt zaad van verschillende OPV-genotypen samen gekweekt en aangemoedigd om te kruisen om een 'samengestelde' variëteit te vormen, Dit zaad wordt normaal gesproken gepromoot als 'verbeterde OPV'. 

Voor OPV's kunnen boeren zaad van de vorige oogst 2-3 seizoenen gebruiken, waarna ze nieuw zaad moeten aanschaffen. 

Als boeren het plan hebben om zaad van de huidige oogst te bewaren, moet alleen het gewenst zaaigoed geoogst worden. Zaad van aangedane planten mag niet gebruikt worden. Om een hoog kiempercentage te garanderen, mag alleen zaad van gezonde planten worden bewaard en moet het dorsen zorgvuldig worden gedaan om beschadiging te voorkomen. Voordat het zaaigoed wordt opgeslagen, moet het zaad worden geselecteerd op beschadigingen en verontreinigingen. Het zaaigoed moet apart worden bewaard in een droge, goed geventileerde ruimte.  

 

Hybride maiszaad

Mensen verbeteren al duizenden jaren de kwaliteit van plaatselijke gewassen, maar door biotechnologisch zaaigoed te ontwikkelen, wordt de ontwikkeltijd aanzienlijk bekort.

Genetische manipulatie verwijst naar een selectie van gewenste genen die voor specifieke eigenschappen zijn overgebracht in de genen van een ander organisme, waardoor de genetische samenstelling van de tweede soort wordt gewijzigd. Voor gewassen is dit meestal bedoeld om een gewenst kenmerk te ontwikkelen, zoals verhoogde opbrengst, insectentolerantie, droogteresistentie en bestand tegen klimaatverandering. In de westerse landen en Azië, maar ook in Zuid-Afrika worden de zogenaamde hybriden standaard gezaaid. Hybriden hebben betere opbrengsten dan de OPV's, vooral wanneer ze onder gunstige omstandigheden zijn gekweekt. Graan van een gewas dat is gekweekt uit hybride zaad kan niet als zaad worden gebruikt, omdat de opbrengst van dergelijk zaad veel minder zou zijn dan die van de eerste oogst.

In Malawi is het gebruik van genetische gemodificeerde gewassen toegestaan waaronder maïs, maar niet algemeen, mede vanwege de hoge prijs. Het gebruik daarvan wordt in Malawi uitgelegd dat die minder van smaak is. Het plaatselijk zaaigoed blijft daardoor gangbaar en van invloed op de gewasopbrengst. 

 

Kiemtest

Zaad van zogenaamde lokale maïs dat door veel kleine boeren is aangeplant, gaat jaarlijks kwalitatief achteruit. Recente droogtes hebben daarenboven geleid tot het verlies van veel traditionele variëteiten, omdat ofwel de oogsten totaal mislukten, ofwel omdat toekomstig zaaigoed werd geconsumeerd in plaats van te worden bewaard voor het volgende seizoen. Vervolgens ontbrak het de boeren aan financiële middelen om vervangend zaad van gecertificeerde verbeterde variëteiten te kopen en plantten ze alles wat ze ter plaatse konden krijgen. Maïskorrels die op de lokale markt worden verkocht, zijn meestal een mengsel van lokale, samengestelde en gerecycleerde hybride variëteiten. Als zo'n mengsel eenmaal is geplant, produceert het een zeer variabele maïsstand.

Voorafgaande aan het zaaien is een kiemingstest een leidraad voor hoeveel zaden er gezaaid moeten worden om de gewenste plantenpopulatie te krijgen. De test geeft een idee hoeveel zaailingen je kunt verwachten van een bepaald aantal zaden.  

De test kan 10 dagen of langer voor het planten worden gedaan. Op een zaaibed kunnen ongeveer 50 of 100 zaden worden gezaaid en vochtig gehouden. Het aantal normale zaailingen dat in ongeveer 5-7 dagen verschijnt, moet worden geteld en de kiemkracht in % worden berekend. De test kan ook in huis worden gedaan tussen vochtige krantenbladen. De wortel- en scheutdelen van de kiemen van de zaailingen mogen niet vervormd zijn en moeten er gezond uitzien.

Als de kiemkracht meer dan 95% is, kan het aantal gezaaide zaden hetzelfde zijn als de gewenste plantenpopulatie, aangezien de meeste geplante zaden zullen uitkomen. Maar als de kiemkracht 80% is, zullen er gemiddeld slechts 4 van de 5 geplante zaden uitkomen - dus om de gewenste plantenpopulatie te krijgen, moet het aantal geplante zaden met 25% worden verhoogd. Als het kiempercentage 50% is, betekent dit dat er van de 2 geplante exemplaren er gemiddeld maar één uitkomt. In zo'n geval is het raadzaam om de zaaihoeveelheid te verdubbelen. 

 

Maïs zaaien

Mais moet worden gezaaid in vochtige maar niet drassige grond, wanneer het bodemvocht een diepte van minimaal 30 cm heeft bereikt. Dit gebeurt meestal kort na het begin van de regen. Het uitstellen van het planten zodra de regens zijn begonnen, kan de opbrengsten aanzienlijk verminderen.

Ook tijdens het zaaien van mais moet er op gelet worden dat het maiszaad mollig en onbeschadigd is. Verschrompeld of beschadigd zaad niet gebruiken. 

 

Zaaimethode

Bij de conventionele landbouwmethode:

De wijze van zaaien is afhankelijk van de landbouwmethode. Indien gekozen is voor de conventionele methode zijn ruggen gemaakt door het bij elkaar schrapen van de bovenste zandlaag. Indien kunstmest wordt gebruikt worden op de plantruggen kuiltjes gemaakt, daarin een afgemeten hoeveelheid kunstmest gestrooid [60 gram DAP (N 30, P 10)] en bedekt met een laagje zand. Daarop wordt maiszaad gepoot en afgedekt. De zaaiafstand is 75 cm tussen rijen, 50 cm in de rij en 2 planten per plantgat. Dit geeft een plantenpopulatie van ongeveer 53.333 planten per hectare. 

In drogere gebieden, met minder dan 500 mm regenval tijdens het groeiseizoen, moet de afstand tussen rijen en planten worden vergroot, wat zal leiden tot een lagere plantenpopulatie door de zaaiafstand binnen en tussen de rijen te vergroten tot 1 m om de concurrentie om bodemvocht te verminderen. Er kan ook gekozen worden voor een vroegrijpe variatie maiszaad. 

 

Bij de conserverende landbouwmethode:

Indien is gekozen voor de conserverende landbouwmethode worden plantgaten gekapt in het onberoerde akkerland en met compost gevuld (of met kunstmest, zoals hierboven beschreven). Tenslotte wordt het bouwland bedekt met een laagje plantenresten dat van elders wordt aangevoerd. De bedoeling daarvan is om het regenwater beter vast te houden, de bovenlaag vochtig te houden en bodemerosie te verminderen. 

Op zandleemgronden met voldoende regen wordt een plantdiepte van 2-3 cm aanbevolen; op droge zandgronden is een plantdiepte van 5-10 cm gewenst om een dieper wortelgestel te laten ontstaan. Voor maïs wordt gestreefd naar 2 maïsplanten per plantgat.  

Om een plantdichtheid van 53.333 planten per hectare te bereiken, is tussen de 20-25 kg maïszaad per hectare nodig, uitgaande van een kiemkracht boven de 95%. Als de kiemtest lager is, is er meer zaad nodig. Bij bijvoorbeeld 50 % kiemkracht moet het aantal zaden per plantstation worden verdubbeld. 

 

Gebruik van zaaigoed naar toepssing Lokaal maiszaad Hybride maiszaad OPV Overjarig maiszaad
In % 53,2 37,0 1,3 8,5

 

Naar geslacht van het gezinshoofd was 63% van de percelen die werden bebouwd door huishoudens met een vrouwelijk hoofd, beplant met lokaal maïszaad, vergeleken met 49% van de huishoudens met een mannelijk hoofd

 

Tussengewassen

Tussengewassen van maïs met peulvruchten samen, heeft een gunstig effect op de verbouw en de opbrengst van beide gewassen. Het toepassen hangt af van de prioriteit die boeren aan maïs of peulvruchten geven en ook van de relatieve waarde. Het is van belang een overwogen keuze te maken over de groeiwijze van de peulvrucht die zal worden geteeld en hoelang het duurt voordat die geoogst kan worden. Is de groeiwijze rechtopstaand, verspreid of klimmend? Bij de keuze van peulvruchten als tussengewas moet ook rekening worden gehouden met de bodem en de klimatologische omstandigheden.

Er zijn voor- en nadelen verbonden aan het verbouwen van maïs samen met peulvruchten. Voordelen zijn onder meer verbeterde bodemvruchtbaarheid, meer gebruik van hulpbronnen, betere bodembedekking, verminderd risico, verbeterde huishoudelijke voeding, verbeterde beschikbaarheid van mest en verminderde invloed van plagen en ziekten. Nadelen zijn onder meer de verhoogde moeilijkheidsgraad bij het uitvoeren van sommige landbouwactiviteiten en mogelijke dalingen in opbrengsten als te dicht wordt gezaaid.

 

Onkruidbestrijding 

 

Onkruid concurreert met gewassen om voedingsstoffen, water en licht en kan plagen en ziekten herbergen die gewassen kunnen aantasten. Onkruidzaden kunnen het maiszaad besmetten bij het oogsten. Vooral in de tropen is het daarom erg belangrijk om regelmatig en consequent door wieden het opkomend onkruid te verwijderen. 

In de conventionele grondbewerkingssystemen wordt onkruid vernietigd door deze tijdens het ploegen in te graven. Bij het bewerken van de grond met de handschoffel wordt een rug van zand gemaakt waarbij tegelijkertijd het onkruid wordt weggeschraapt. Het nadeel van de conserverende landbouw is dat er veel meer inspanning nodig is om onkruid te bestrijden tijdens het groeiseizoen. Een oplossing voor dit probleem is het gebruik van herbiciden, zoals glyfosaat na het zaaien.  

Evenals vroeg planten, is ook vroeg wieden noodzakelijk voor een goede oogst. De uitdaging waar boeren voor staan is dat het vaak aanhoudend regent gedurende de periode dat er gewied moet worden.  

Op akkers met monocultuur zal meer gewied moeten worden, omdat er meer grondoppervlak is blootgesteld. Als gewassen het grondoppervlak bedekken, wordt onkruid gesmoord of krijgt het minder kans om te groeien. 

 

Wanneer wieden?

Wieden hangt af van de aanwezigheid van onkruid en de hoeveelheid onkruid. De meest kritieke fase van onkruidconcurrentie in het leven van een maïsplant is tijdens de eerste 6 tot 8 weken na opkomst. Onkruid dat ontstaat als het gewas jong is, veroorzaakt meer schade dan bij opkomend onkruid als het gewas ouder is. Anders gezegd, de voordelen van het verwijderen van onkruid dat ontstaat als het gewas bijna volgroeid is, is minder dan de voordelen van onkruid wieden als het gewas jong is. Ook neemt de onkruiddichtheid af naarmate het gewas groeit, omdat het groeiende bladerdak korte onkruiden verduistert, waardoor hun groei wordt ontmoedigd. 

Het eerste wieden moet 2-3 weken na het opkomen van de maïs zijn en het tweede wieden 2-4 weken na het eerste wieden. In gebieden met veel regen kan een derde wieden nodig zijn, 3 weken na het tweede wieden.

-Wieden moet bij voorkeur 's morgens gebeuren als de grond vochtig is om verlies van bodemvocht te voorkomen.

-Onkruid wieden met werktuigen, handgereedschap, trekdieren of tractoren mag niet worden uitgevoerd tijdens droge perioden. In dergelijke gevallen is handmatig onkruid wieden of het gebruik van herbiciden beter, omdat verstoring van de bodem wordt verminderd of vermeden waardoor er minder water uit de bodem verloren gaat.

-Ontwortel onkruid voordat ze gaan bloeien en zaad zetten.

-Als er na het ontwortelen veel aarde aan de wortels vastzit, schud dan de grond van de wortels van het onkruid en verwijder het ontwortelde onkruid van het land. 

-Idealiter zouden velden vrij van onkruid moeten zijn op het moment van bemesting. Als er onkruid aanwezig is op het moment van bemesting, kunnen de bemesting en het wieden tegelijkertijd worden gedaan.

De hierboven voorgestelde aantallen en tijdstippen van wieden zijn richtlijnen en geen strikte aanbevelingen. 

 

Hoe te wieden? 

Bij gebruik van de handschoffel kan schade aan de wortels van gewassen worden verminderd door tot een diepte van minder dan 5 cm te hakken. Dieper graven mag alleen als het nodig is, bijvoorbeeld om onkruid te verwijderen met wortelstokken die diep in de grond gaan.

Als het onkruid hoog en weinig is, kan onkruid met de hand worden getrokken. Onkruid met geworteld rijp onkruidzaad niet op het akkerland laten liggen. 

 

Striga

Striga gesnerioides, is een hardnekkig parasitair onkruid. Voor de bestrijding van Striga dat maïs aantast, is een integrale aanpak nodig dat profiteert van het feit dat Striga op vruchtbare gronden minder een probleem is. Bestrijding kan:

-Indien beschikbaar, dienen Striga-tolerante maïsrassen aangeplant te worden.

-Verwijder Striga door te schoffelen en onkruid te wieden voordat ze bloeien en uitzaaien.

-Bespuit met herbicide. 

-Rotatie en tussenteelt met peulvruchten (bijv. sojabonen, cowpea, aardnoot).

-Het toedienen van stikstofrijke mest (zoals ureum) of het toedienen van mest of het kweken van stikstofbindende peulvruchten.  

 

Herbiciden

De beslissing om handmatig te wieden of herbiciden toe te passen, moet gebaseerd zijn op wat het meest kosteneffectief is. Er zijn meer opties voor het gebruik van herbiciden in monoculturen. Dit komt omdat herbiciden die in maïs worden gebruikt, meestal gericht zijn op breedbladige planten, waaronder peulvruchten, terwijl die in peulvruchten op grasachtig onkruid zijn gericht en ook maïs zullen doden.

 

Tijd/toepassing:                                                 Herbicide* chemische naam:

Pre-opkomst**                                                   alachloor, metalochloor

                                                                        alachloor en atrazin

Pre- en vroege post-opkomst***                          atrazine

Post-opkomst                                                     glyfosaat

 

* De hier vermelde herbiciden zijn het actieve ingrediënt (chemische naam). In de winkel van de agrodealer zullen producten op basis van deze chemicaliën worden verkocht onder verschillende handelsnamen in verschillende formuleringen, gemaakt door verschillende fabrikanten. De instructies op de herbicideverpakking moeten zorgvuldig worden gevolgd om schade aan gewassen en mogelijke schade aan de gezondheid van mensen of het milieu te voorkomen. 

**Pre-emergent herbiciden, die onkruid bestrijden in de kiemfase, kunnen direct na het planten op de grond worden aangebracht, voordat onkruid en gewassen verschijnen. 

***Post-emergent herbiciden, die jong groeiend onkruid bestrijden, kunnen worden toegepast zodra gewassen en onkruid opkomen  

 

Met name bij de conserveringslandbouw kan het nodig zijn om bij het zaaigereed maken van de akkers het onkruid met geschikte herbiciden te bestrijden. In dat geval moeten apparatuur, herbiciden en sproeiers beschikbaar, betaalbaar en toepasbaar zijn. Daarnaast is kennis en ervaring noodzakelijk bij het gebruik om die op een veilige en effectieve manier te gebruiken.

In een later stadium, als de maïsplant ontwikkeld is en de maiskolven narijpen, kan het onkruid ook later verwijderd worden. Dat blijft wel nodig om ziekten en plagen gedurende het volgende seizoen te verminderen. 

 

Plagen

 

Gewassen kunnen tijdens de groeiperiode worden aangetast door insecten. Ongedierte kan ook het graan aantasten na het oogsten.

Regelmatige veldbezoeken zijn vereist om te zoeken naar insecten om die zo mogelijk geïntegreerd te bestrijden op een effectieve, milieuvriendelijke en economisch verantwoorde wijze.  

Vroege detectie is belangrijk voordat de plaag zich verspreidt, zodat controle alleen nodig is over kleine gebieden om te besparen op de behandelingskosten en om de impact te verminderen. Aanvallen kunnen voorkomen worden door rassen te gebruiken die resistent of tolerant zijn voor plagen. 

 

Insectenplagen

Insecten kunnen planten en de opbrengst beschadigen door onder anderen de verplaatsing van voedingsstoffen in planten te verstoren. Mais kan worden aangevallen door snijwormen en rupsen van motten die zich overdag in de grond verstoppen en zich 's nachts voeden. Snijwormen vallen zaailingen aan onder of aan het grondoppervlak en kunnen zaailingen doden. De planten kunnen verwelken als ze gedeeltelijk zijn doorgebeten. Bij oudere planten voeden de insecten zich met bladeren. Bestrijding op de aanwezigheid is mogelijk door de gewasresten in te ploegen of om de grond te draaien om de larven bloot te stellen aan de zon en vogels of met onkruid te bestrijden. 

Als aangetaste planten worden vervangen, moeten beschadigde planten worden verwijderd. Als er snijworm in het plantgat te zien is, moet deze worden gedood voordat een zaadje in het plantgat wordt geplaatst. Ook als de aanval plaatselijk is, kan het ongedierte worden bestreden door het uit de grond te graven en het te doden. Het graven moet tot 5 cm diep zijn. 

Goede plaagbestrijding in maïs-peulvruchtensystemen omvat:

-Peulvruchten roteren met maïs of andere gewassen om de aantasting door insectenplagen en ziekten van het vorige seizoen in het veld te verminderen.

-Vroeg planten bij het begin van regen, wanneer de grond vochtig is, zodat het gewas vroeg rijpt en aan een aanval door ongedierte ontsnapt, sterk genoeg is om plagen te weerstaan en het gewas niet hoeft te concurreren met onkruid.

-Gewassen die goed voorzien zijn van voedingsstoffen, ziektevrij, sterk en gezond, zijn beter bestand tegen plaagdruk.

-Verwijder planten die er geïnfecteerd uitzien als de plaag zich niet heeft verspreid. Ook opgeschoten planten van graan van een eerdere oogst om verspreiding te verminderen. Als de besmetting ernstig lijkt, overweeg dan om de plaag met chemicaliën te bestrijden.

-Velden onkruidvrij houden. Sommige onkruiden kunnen fungeren als alternatieve gastheren voor sommige plagen en kunnen ook insecten huisvesten die ziekten van plant op plant overbrengen. 

 

Stengelboorder

 

Insecten

Afgezien van snijwormen, kunnen ook andere insecten de maisgroei beïnvloeden, zoals de stengelboorders, chaffer-larven, termieten, maïskever en andere grotere graanboorders.  

Stamboorders eten bladeren en maken 'vensters'. Oudere larven tunnelen uitgebreid in stengels en eten lange met frass gevulde galerijen op die stengels kunnen verzwakken en breuken kunnen veroorzaken. De plagen overleven in gewasresten nadat de maïs is geoogst. Het ongedierte kan worden bestreden door gewasresten op het bodemoppervlak in de hete zon na de oogst te verspreiden, gewasresten van het veld te verwijderen, aan het vee te voeren of compost te maken. Het inzaaien in stroken maïs en niet-waardplanten, zoals erwten of cassave, zal de schade verminderen, omdat de kringloop van de stengelboorder wordt doorbroken. Andere beheersmaatregelen zijn onder meer vroeg planten en het toepassen van insecticiden. 

Chaffer-larven voeden zich met jonge maïsplanten, waardoor die uitdrogen en afsterven. De plaag wordt onder controle gehouden door vroeg te planten bij het begin van de regen, wisselteelt toe te passen en dierlijke mest te gebruiken die goed verteerd is in plaats van vers of gedeeltelijk verteerd.  

Termieten beschadigen bovengrondse biomassa waardoor de plant omvalt. Bij planten in verschillende groeistadia kan de binnenkant van de wortels en stengels worden uitgevreten en vervolgens worden gevuld met aarde. Als de plant omvalt vernietigen de termieten de hele plant. Termieten kunnen worden bestreden door hun nesten te vernietigen en de koningin te verwijderen, door maïs te vermengen met peulvruchten in plaats van het als enig gewas te verbouwen. 

De grotere graanboorder kan gewassen aantasten door gaten in de stengel en de kolf te vreten. De army worm is een recente bedreiging voor de voedselvoorziening in Afrika. De rupsen van de nachtvlinder zijn verantwoordelijk voor de catastrofale vernieling van maïsvelden en maiskolven. Zowel de maiskever als de grotere graanboorder kunnen graan aantasten tijdens opslag. Om de aantasting voor de verkoop te verminderen, moeten de kolven worden geoogst zodra het gewas klaar is. Het graan moet worden geschoond, gesorteerd en gedroogd in de zon. Bij aanwezigheid van insecten moet het graan worden bedekt met insecticiden om insecten te doden of worden bewaard in luchtdichte containers zoals plastic zakken om te voorkomen dat de lucht die insecten nodig hebben om te overleven in de container terechtkomt. Opslagcontainers moeten ook schoon en droog zijn. 

Ziekten 

 

Maïs heeft relatief weinig last van ziekten. Er moet wel aandacht zijn voor de besmetting in bewaargranen, aangezien deze ziekten veel voorkomen en de opbrengst en kwaliteit van het graan beïnvloeden.

Ziekten kunnen op allerlei manieren vanuit de grond of uit de lucht in of op de plant terecht komen, bijvoorbeeld door schimmels en sporen, maar ook door achtergebleven plantenresten, via andere planten en door insecten. Ook door zaden. Aangeraden wordt om alleen overblijvend zaaigoed te gebruiken van ziektevrije velden. Gecertificeerd zaad dat in winkels wordt gekocht, is meestal ziektevrij. 

Aandachtspunten

-Wisselteelt toepassen met peulvruchten en met andere gewassen om de aantasting en de ziekten van het vorige seizoen in het veld te verminderen.

-Vroeg planten, bij het begin van de regenperiode, wanneer de grond vochtig is, zodat het gewas vroeg rijpt en sterk genoeg is om ziekten te weerstaan.

-Gewassen die goed voorzien zijn van voedingsstoffen zijn beter bestand tegen ziekten

-Verwijder planten die er geïnfecteerd uitzien uit het akkerland. Als de besmetting ernstig lijkt, overweeg dan om die met chemicaliën te bestrijden.

-Velden onkruidvrij houden. Sommige onkruiden kunnen fungeren als alternatieve gastheren voor sommige ziekten en kunnen ook insecten huisvesten die ziekten van plant op plant overbrengen. 

 

 

 

Oogsten 

 

Het zichtbare teken van de rijpende maïsplant is senescentie, het afsterven van bladeren, beginnend bij de onderste bladeren en doorgaand naar boven. Het gewas is volgroeid als de plant lichtbruin is geworden en de korrel hard; sommige kolven zullen naar beneden hangen. De rijpheid van de kolf kan ook worden getest door te controleren op de zwarte laag die zich vormt aan de basis van korrels (waar ze aansluiten op de kolf). De laag kan worden gezien door korrels van de kolf te verwijderen en de basis met uw vingernagel te schrapen. 

Het oogsten gebeurt door het verwijderen van kolven van planten. Het is van belang om geen ongepelde maïs op te slaan. Maïs moet onmiddellijk worden gepeld en gedroogd tot het aanbevolen vochtgehalte en vervolgens gedorst op een schone ondergrond. Bij het dorsen van maïs worden de korrels gesorteerd en kaf en lege kolven verwijderd om terug te brengen op het land, als veevoer te gebruiken of te verwerken in compost. De granen worden voor opslag verder gedroogd. Het opslaan van graan voordat het droog is, kan leiden tot kwaliteitsverlies door aantasting door opslagongedierte, schimmels en ziekten. 

 

Tips om te controleren of maïskorrels droog genoeg zijn voor opslag

Op basis van ervaring is het mogelijk om te bepalen of graan droog genoeg is voor opslag, bijvoorbeeld aan de manier waarop het eruit ziet en aan het gevoel wanneer een hand in een stapel graan wordt gedompeld. Je kunt ook zien of graan droog genoeg is door eenvoudige tests uit te voeren. Als voorbeeld: Neem een paar korrels en bijt erop. Als de korrels barsten, is de maïs droog genoeg voor opslag. 

U kunt ook graan in een droge fles gieten totdat deze voor tweederde vol is. Voeg vervolgens 3 eetlepels droog zout toe. Schud een minuut, laat de fles dan 15 minuten rusten en schud opnieuw. Als er zout aan de zijkanten van de fles blijft kleven, is het vochtgehalte hoger dan 14-15% en moet het graan verder worden gedroogd. Als het zout niet aan de zijkanten van de fles blijft kleven, is het graan droog genoeg om te bewaren. 

Controleer of het zout droog genoeg is voor gebruik in de test door zout in een lege fles te doen en te schudden. Droog zout plakt niet aan de zijkanten van de fles.

 

Residubeheer

-Voer de restanten na de oogst aan het vee of composteer.

-Als veevoer hebben die resten weinig voedingswaarde

-Het composteren van de resten heeft waarde als humus 

-Hou de gewasresten op het veld omdat het achterlaten daarvan voordelen heeft, waaronder:

=Behoud van bodemvocht.

=Mulchlaag helpt bodemerosie op glooiend land te verminderen.

=Onkruidbestrijding en minder behoefte aan onkruidbestrijding. 

=Aanvulling van organische stof in de bodem. 

 

Bewaren van mais

 

Opslagverliezen 

De meeste opbrengstverliezen in Afrika, inbegrepen Malawi, zijn oogst- en opslagverliezen. In de meeste gevallen begint de besmetting al op het veld als het gewas rijpt of droogt. Na de oogst ontstaat opslagverlies. Niet zozeer als gevolg van uitdroging, maar door het aanvreten van de granen door insecten tot mul.

 

Aflatoxine

Aflatoxine is een gevaarlijke groengele schimmel. Maïs raakt besmet met aflatoxinen door de aanwezigheid van deze en andere schimmels in het veld en tijdens de opslag. Aflatoxinen zijn onzichtbaar, maar ze veroorzaken ernstige ziekten waaraan mensen en vee die van besmet graan eten, overlijden. Zelfs als de schimmel niet te zien is, kan maïs toch besmet zijn. Het risico op infectie op het veld is groter als maïsplanten onder stress staan, bijvoorbeeld door droogte en tekorten aan voedingsstoffen. De infectie is groter als het maisgraan onder natte omstandigheden wordt geoogst, nat wordt opgeslagen of nat wordt tijdens de opslag. Geïnfecteerde kolven kunnen gaan rotten en bladeren die de kolf bedekken kunnen aan de kolf blijven kleven. Geïnfecteerd graan kan een geur hebben, een slijmerig oppervlak en een beschimmeld uiterlijk hebben, bijvoorbeeld groen, rood of zwart, of witte strepen hebben. 

Om besmetting te voorkomen zijn goede agronomische praktijken essentieel:

-tijdig zaaien om maximaal gebruik te maken van regenwater tijdens de groei. Eventueel irrigeren

-oogsten gedurende het droge seizoen,

-toepassing van kunstmest

-bestrijden van insectenplagen

-effectief en tijdig wieden. 

 

Bewaren

Aanzienlijke hoeveelheden van het voedsel dat in ontwikkelingslanden wordt geproduceerd, gaan verloren na de oogst bijvoorbeeld door de kolven met schil in eigen silo's op te slaan waar het ongedierte vrij spel heeft. Ook wordt besmette mais de winkel in gebracht waarna opslagverlies ontstaat. Een verliesbeoordelingsonderzoek door het ministerie van Landbouw en Voedselzekerheid uitgevoerd in Malawi tijdens het seizoen 2000/2001 toonde aan dat vanaf 1994 het verlies in opgeslagen graan van vijf naar zestien procent was gestegen. Voedselverliezen zijn mede de reden van hogere voedselprijzen omdat een deel van de oogst steeds moet worden afgeschreven. 

Er zijn er twee mogelijkheden om opslagverlies tegen te gaan waaronder het gebruik van pesticiden. In dat geval is het essentieel om zich te houden aan een strikte opslaghygiëne door ervoor te zorgen dat de besmetting niet wordt overgedragen. Opslagfaciliteiten, inclusief zakken, moeten worden behandeld voordat het geoogste graan wordt opgeslagen. Bij het toevoegen van de pesticiden in de zakken moet rekening worden gehouden met het vochtgehalte van het graan omdat de werking van de pesticiden in vochtige omstandigheden al in korte tijd voor een deel verloren gaat.

Een tweede mogelijkheid om mais, maar ook andere graan- en bonensoorten op te slaan is in de Purdue Improved Crop Storage (PICS) zak die heeft bewezen een effectief alternatief te zijn voor chemische pesticiden. Deze bestaat uit twee zakken polyethyleen met een hoge dichtheid (HDPE) van 80 micron en een buitenzak bestaande uit geweven polypropyleen (PP) van 80 micron voor het gebruik en bescherming bij opslag en transport. Samen creëren ze door het wegdrukken van de nog aanwezige lucht en het apart dichtbinden van de drie zakken, een zuurstofarme omgeving die de ontwikkeling van insecten vermindert. Maar liefst 98% van alle insecten zal binnen 1 maand na opslag geëlimineerd zijn, waardoor schade en gewichtsverlies aanzienlijk minder zal zijn. Het is aan te raden daarvoor 25 kg zakken te gebruiken met een ruime mogelijkheid om die dicht te binden.